‘Scholen willen zoveel meer meegeven’
Op vrijdag 21 november a.s. promoveert Berber Vreugdenhil, onderzoeker van het Expertisecentrum Onderwijs & Identiteit aan de TUU.
Zij deed onderzoek naar vormende ervaringen van (oud-)leerlingen in het christelijk voortgezet onderwijs.
Waar gaat je onderzoek over?
Scholen willen leerlingen niet alleen klaarstomen voor het uiteindelijke examen, maar zoveel meer meegeven. Een christelijke school wil een oefenplaats voor brede vorming zijn. Daarin kunnen vier vormingsrelaties worden onderscheiden: de relatie met God, met zichzelf, met anderen en met de wereld. Maar hoe pakt dat uit in de praktijk? Hoe beleven (oud-)leerlingen de school als vormingscontext? Dat vroegen scholen zich af. Zodat zij zich kunnen spiegelen aan de ervaringen van leerlingen en oud-leerlingen en zij deze ervaringen mee kunnen nemen in hun verdere ontwikkeling als school.
Op welke manier heb je onderzoek gedaan?
Het onderzoek vond plaats op negen scholen van vijf scholengemeenschappen, waarvan vier (van oorsprong) gereformeerd en één evangelisch. Ruim 750 respondenten vulden een vragenlijst in, met acht groepjes leerlingen en dertien oud-leerlingen individueel heb ik interviews gehouden en leerlingen maakten reflectieopdrachten.
Wat voor inzichten leveren de resultaten op?
De resultaten geven inzicht in de vormende ervaringen die (oud-)leerlingen hebben opgedaan ten aanzien van elk van de vier relaties, in de verhouding tussen de vormende ervaringen ten aanzien van die vier relaties, in verschillen tussen scholen en op basis van andere (achtergrond)variabelen en op de betekenis van de school als vormingscontext ten opzichte van andere vormende invloeden.
Wat is de conclusie van je onderzoek?
In het slothoofdstuk concludeer ik dat (oud-)leerlingen veel positieve vormende ervaringen hebben opgedaan. Daarnaast bediscussieer ik ten aanzien van vier thema’s hoe de scholen zouden kunnen groeien als oefenplaats, namelijk als oefenplaats voor samenleven, door exploratie, voor brede vorming en in afstemming tussen opvoeders.
Wat heeft je het meest verrast in de antwoorden van de leerlingen?
Het heeft me ten eerste verrast hoe belangrijk een bepaalde overeenstemming tussen school, kerk en thuis blijkt te zijn voor een positieve beleving van de school. Dat sluit aan bij allerlei eerder onderzoek, maar ik had niet verwacht dat dat ook in mijn onderzoek zo duidelijk bevestigd zou worden. In het laatste hoofdstuk geef ik dan ook wat aanbevelingen hoe afstemming of samenwerking eruit zou kunnen zien. Extra verrassinkje – en erg passend bij mij als persoon – was dat de resultaten daarbij ook aanleiding gaven om in diezelfde paragraaf te schrijven over wat scholen meer zouden kunnen doen met de vormende waarde van muziek.
Daarnaast was ik echt verrast en soms zelfs ontroerd door de opbrengsten van de reflectieopdrachten. Prachtige kunstwerken en gedichten, boeiende podcasts en vlogs, sterke opstellen en brieven aan zichzelf in groep 8 waarin leerlingen hun jongere zelf allerlei bemoedigingen in de trant van ‘het komt echt goed’ en wijsheden meegaven. Maar ook schrijnende opstellen waar leerlingen vertellen over hun mentale problemen en hoe ze daarin te weinig steun, aandacht en hulp vanuit school hebben ervaren. Ik raad scholen dan ook zeker aan om deze opdrachten vaker door leerlingen te laten maken. Het levert inzichten op waar de school mee verder kan, en het maken van zo’n opdracht is in zichzelf een vormende ervaring voor de leerlingen.
Wat zijn voorbeelden van positieve vormende ervaringen van leerlingen?
Ten aanzien van alle vier de vormingsrelaties delen (oud-)leerlingen positieve ervaringen. Een voorbeeld hiervan geeft het kunstwerk dat in onderstaand figuur staat afgebeeld. De leerling schreef in de toelichting hierbij dat het belangrijkste dat zij heeft geleerd tijdens haar periode op de middelbare school is dat ze niet alles zelf hoeft te doen. Dat ‘zelfs als het lijkt alsof je verdrinkt, de Heer en de mensen om je heen je kunnen helpen en een plek geven om even stil te staan en te huilen’.

Tijdens de hele schoolperiode kregen (oud-)leerlingen impulsen voor geloofsontwikkeling, bijvoorbeeld via dagopeningen en godsdienstlessen. Zij geven aan dat school bijdroeg aan hun vertrouwen op God, kennis over het geloof, meningsvorming en actieve geloofsbeleving, inclusief het ontwikkelen van christelijke waarden en normen.
Ook waren leerlingen positief over onderdelen van de vorming van de relatie met anderen: zij leerden sociale vaardigheden, sloten vriendschappen en merkten dat conflicten serieus werden genomen, met aandacht voor verzoening en vergeving.
Wat betreft de vormingsrelatie met zichzelf noemen zij de ontwikkeling van talenten, loopbaanoriëntatie, zelfstandige meningsvorming en het leren nemen van verantwoordelijkheid. Scholen boden vaak ruimte voor eigen interesses en groei in zelfkennis en zelfvertrouwen.
Ten slotte, ten aanzien van de relatie met de wereld spreken leerlingen waardering uit voor de aandacht voor wereldactualiteiten. Via lessen, media en excursies groeiden zij in kennis van en reflectie op wereldvraagstukken. Sommige respondenten ontwikkelden een realistischer wereldbeeld, meer begrip voor andere culturen en religies, en bij enkelen ontstond een verlangen om positief bij te dragen aan de wereld.