Column

Column: Noblesse Oblige

Een column van rector magnificus George Harinck

Een student was vroeger een aparte categorie in de samenleving, behorend bij de universiteit, ook al zo’n afzonderlijke wereld. Bij de academie hoorde een eigen taal, eigen gewoontes en een groot gevoel voor eigenwaarde. Een student kreeg geen les, maar liep college, en de docent was geen meester of meneer, maar professor, en kennis grensde aan heiligheid. Er was het academisch kwartiertje: als je college om 10 uur begon, ving het feitelijk om kwart over tien aan. Studenten hadden een eigen bibliotheek, sportcentrum en mensa. De samenleving was voor 9 tot 5-burgers, studenten keken erop neer. Ik heb het over vroeger, een halve eeuw geleden, toen ik zelf student werd. Ik ondervond die overstap, trad een andere wereld met andere mores binnen dan die ik tot dan toe had gekend in gezin, kerk, school en sportvereniging.

Jasje-dasje

De universiteit is nu heel anders, onderdeel van de samenleving, sterker nog, vaak het epicentrum van het maatschappelijk debat. De student is geen aparte categorie meer, behalve als het om reizen met het OV gaat, en de universiteit geen ivoren toren. Je herkent studenten niet meer op straat aan hun kleding, zoals in mijn tijd in Leiden. Soms zie ik nog een glimp van vroeger, bijvoorbeeld als besturen van Utrechtse christelijke studentenverenigingen in jasje-dasje en met bestuurslinten om bij het College van Bestuur van de Theologische Universiteit Utrecht komen lunchen. En de naam van de nieuwe theologische studievereniging aan onze universiteit is in het Latijn en is een restant van het studentenjargon dat deze universiteit in haar Kamper jaren kenmerkte, met haar Corpus Studiosorum in Academia Campensi Fides Quadrat Intellectum.

Allerlei maatschappelijk onderscheidingen zijn verdwenen, inhoudelijke, zoals die tussen levensbeschouwingen, maar ook heeft een sociale nivellering de rangen en standen in onze samenleving uitgewist. Gezag werd vroeger vanzelfsprekend met respect bejegend, maar wordt inmiddels niet a priori aanvaard als boven je gesteld, doch moet zich eerst bewijzen voor de rechtbank van ieder individu. Elk maatschappelijk of intellectueel onderscheid heeft iets bedenkelijks gekregen. Zelfs het becijferen van het werk van studenten wordt soms als discriminerend ervaren.

Erkenning van realiteit

Tegelijkertijd zijn er university colleges voor begaafde studenten, zijn er honours colleges en vormen universitaire diploma’s nog steeds het beste entreebiljet tot de samenleving. En wie tijdens zijn studietijd een prijs heeft gewonnen staat beter voorgesorteerd voor een promotiebeurs. De ongelijkheid is kortom niet geheel verdwenen, maar ze is informeler aanwezig. Verzet tegen het maken van onderscheid kan goed zijn, maar daarmee verdwijnen alle onderscheidingen nog niet. Er zijn nu eenmaal verschillen tussen mensen, in gaven en in rangen, en er is ook verschil in waardering daarvan. Je kunt de maatschappelijke onderscheidingen van vroeger geheel afwijzen, maar ze waren ook de erkenning van een realiteit.

Elitaire zelfgenoegzaamheid lijkt me verkeerd, maar onderscheid mag er wezen. Niet iedereen volgt een academische studie, niet iedereen is theoloog. Wees dus gerust trots op de Theologische Universiteit, en op het feit er als student onderdeel van te zijn. Maar vergeet de samenleving niet. Uit de standensamenleving is een wijs motto overgeleverd dat zijn geldigheid niet verloren heeft: noblesse oblige

– George Harinck

Goedendag, waar ben je naar op zoek?